Hoofdstuk 12 BRV Flashcards Preview

4C Belastingrecht > Hoofdstuk 12 BRV > Flashcards

Flashcards in Hoofdstuk 12 BRV Deck (12)
Loading flashcards...
1

Waarover wordt overdrachtsbelasting geheven?

Overdrachtsbelasting wordt geheven over de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken en van rechten waaraan onroerende zaken zijn onderworpen (art. 2 lid 1 Wet BRV).

2

Worden alle rechten waaraan onroerende zaken onderworpen belast met overdrachtsbelasting?

Niet alle rechten waaraan onroerende zaken onderworpen kunne zijn, zijn belast met overdrachtsbelasting. De zekerheidsrechten hypotheekrecht en pandrecht worden niet aangemerkt als rechten waaraan zaken zijn onderworpen (art. 5 wet BRV).

3

Als in verband met de oberdracht een notariële akte moet worden ingeschreven in de openbare register (het kadaster), geldt het tijdstip van het opmaken van de notariële akte als het moment van verkrijging (art. 8 lid 1 wet BRV).

Is er sprake van een opschortende voorwaarde dan is de verkrijging pas ene feit als de betreffende voorwaarde is vervuld. (art. 8 lid 2 Wet BRV).

4

Welke twee fictieve onroerende zaken worden geintroduceerd in de Wet BRV?

In de Wet BRV worden twee fictieve onroerende zaken geïntroduceerd, namelijk:
a. aandelen in onroerendezaaklichamen;
b. lidmaatschapsrechten die het gebruiksrecht geven van een (gedeelte van) een gebouw, denk aan en flatwoning.

5

Bij welke voorwaarden is er sprake van een fictieve onroerende zaak?

- het gaat om aandelen in een rechtspersoon (NV, BV of een vergelijkbare buitenlandse rechtspersoon.
- Van deze rechtspersoon bestonden op het tijdstip van de verkrijging of op een tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar, de bezittingen grotendeels (≥ 50%) uit onroerende zaken en voor tenminste 30% uit in Nederland gelegen onroerende zaken.
- Deze onroerede zaken waren op dat tijdstip hoofdelijk (≥ 70%) dienstbaar aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken.

6

De overdrachtsbelasting wordt echter ALLEEN geheven als de verkrijger van de aandelen een bepaald belang in de bv of nv krijgt. Hoe zit dat als het verkrijger respectievelijk een natuurlijk persoon en een rechtspersoon is?

Natuurlijk persoon:
- samen met zijn echtgenoot en naaste familie een belang in een lichaam heeft van ten minste een derde deel, en
- samen met zijn echtgenoot een belang heeft van meer dan 7%.

Rechtspersoon:
Er wordt alleen belasting geheven als deze na de verkrijging samen met eventuele gelieerde vennootschappen een belang in een lichaam heeft van ten minste een derde deel.

7

Niet alle verkrijgingen van onroerende zaken zijn belast met overdrachtsbelasting, welke zijn deze? (Art. 3 lid 1 letter a Wet BRV)

- boedelmenging, erfrecht, verjaring;
- verdeling huwelijksgemeenschap of nalatenschap (indien verkrijger rechtsverkrijgende onder algemene titel);
- Natrekking;
- Uitoefenen wilsrecht = wel verkrijging (art 15.1.x WBR)
- Nietige verkrijging = wel verkrijging

8

Op welke waarde (maatstaf van heffing) wordt de overdrachtsbelasting berekend?

De overdrachtbelasting wordt bereken over de waarde in de economische verkeer.

Dat is de vermoedelijke prijs die bij verkoop door de meestbiedende koper zou worden betaald bij een verkoop onder normale omstandigheden. De waarde wordt gesteld op ten minste de waarde van de tegenprestatie.

9

Moet er dubbele overdrachtsbelasting te worden betalen als de economische eigendom van een onroerende zaak op een later moment wordt gevolgd door de overdracht van juridische eigendom?

Bij de tweede verkrijging wordt de waarde waarover de belasting wordt berekend, verminderd met het bedrag waarover bij de eerste verkrijging al overdrachtsbelasting is verschuldigd.

10

Wat zijn de belasting percentage die worden geheven in de Wet Belasting van Rechtsverkeer?

- Overdrachtsbelasting: een heffing van 2 % bij de verkrijging van woning en een heffing van 6 % bij de verkrijging van overige onroerende zaken;
- Assurantiebelasting: een heffing van 21 % die wordt geheven over de premies voor verzekeringen.

11

Hoe moet er worden gehandeld bij een verkrijging van een zaak die in minder dan 6 maanden daarvoor ook al is overgedragen?

Bij de verkrijging van een zaak die minder dan 6 maanden daarvoor ook al is overgedragen, wordt – voor de berekening van de overdrachtbelasting – de waarde van de verkrijging verminderd met het bedrag waarover bij de vorige verkrijging al overdrachtsbelasting verschuldigd (door de verkrijger) (art. 13 Wet BRV).

12

Noem enkele uitgezonderde verkrijgingen die zijn opgenomen in art. 15 Wet BRV.

1. anticumulatieregeling omzetbelasting en overdrachtsbelasting;
2. bedrijfsoverdracht binnen de naaste familie;
3. verkrijgingen door de overheid;
4. inbreng van een onderneming;
5. verdeling en vereffening;
6. verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners;
7. fusie, splitsing en interne organisatie;
8. verkrijgingen van landbouwgrond;
9. verkrijgingen van natuurgrond;
10. verkrijging van kabel- en leidingnetten.